Op 8 mei 2025 heeft het Hof van Justitie van de EU in de zaak Beevers Kaas / Albert Heijn (Beevers Kaas) belangrijke verduidelijkingen gegeven over exclusieve distributie en de grenzen van toegestane territoriale bescherming. Voor ondernemingen die werken met exclusieve distributeurs is dit arrest zeer relevant.
Het raakt namelijk direct aan de vraag: wanneer mag u andere distributeurs verhinderen om actief te verkopen in een exclusief gebied, zonder dat u de mededingingsregels schendt? Het arrest ziet op artikel 4, onder b), i) van Verordening 330/2010 (thans vervangen door Verordening (EU) 2022/720), ook wel de ‘VBER’, waarin een uitzondering wordt gemaakt voor beperkingen van actieve verkoop binnen exclusieve distributiestelsels.
De casus (in het kort)
De zaak speelt tussen een producent van kaas (Cono), een exclusieve distributeur voor België (Beevers Kaas) en een andere afnemer (Albert Heijn).
- Beevers Kaas had exclusieve distributierechten voor België
- Andere afnemers kochten dezelfde producten voor andere markten/gebieden
- Albert Heijn verkocht die producten toch actief in België
De vraag was vervolgens of Beevers Kaas zich kon beroepen op een geldig exclusief distributiestelsel, met bijbehorende bescherming tegen actieve verkoop door andere afnemers. De kern van het geschil:
Bestaat er juridisch gezien wel een afspraak tussen de leverancier en zijn andere distributeurs om af te zien van actieve verkoop in het exclusief toegewezen gebied, bijvoorbeeld door middel van gerichte verkoop?
Wanneer is exclusiviteit juridisch afdwingbaar?
De vraag waar het in deze zaak echt om draait is wanneer kunt u als leverancier voorkomen dat andere distributeurs actief verkopen in een exclusief gebied? Volgens het Hof kan dat alleen als sprake is van een overeenkomst in de zin van artikel 101 VWEU. Dat betekent concreet dat de leverancier aan andere distributeurs heeft gevraagd om niet actief te verkopen in een bepaald gebied, en deze distributeurs daarmee hebben ingestemd. Belangrijk is dat het Hof meteen een grens trekt, namelijk dat alleen het feit dat andere distributeurs niet actief verkopen, niet genoeg is om zo’n afspraak aan te nemen. Hieronder gaan we daar dieper op in.
Eerste prejudiciële vraag: geen verkoop is geen bewijs van een verbod
Het Hof oordeelt dat de enkele vaststelling dat andere afnemers niet actief verkopen in een exclusief gebied onvoldoende is om aan te tonen dat er een overeenkomst bestaat over een verbod op actieve verkoop. Dat andere distributeurs niet in een gebied verkopen, betekent niet automatisch dat zij dat ook niet mogen. Er kunnen immers andere verklaringen zijn, zoals: commerciële keuzes, gebrek aan interesse of logistieke redenen. Er is dus pas sprake van een relevante beperking als kan worden aangetoond dat andere afnemers daadwerkelijk hebben ingestemd met een verkoopbeperking.
Het Hof verduidelijkt vervolgens wat wél nodig is. Allereerst moet de leverancier de andere afnemers hebben gevraagd om niet actief te verkopen in het exclusieve gebied. Daarnaast moeten deze afnemers daarmee hebben ingestemd. De instemming kan expliciet zijn (bijv. contractueel) of impliciet zijn, mits zij voldoende kan worden bewezen. De enkele exclusiviteitsovereenkomst tussen de leverancier en de exclusieve distributeur is daarvoor niet voldoende. Ook ten aanzien van de andere betrokken afnemers zal moeten kunnen worden aangetoond dat zij de territoriale beperking hebben aanvaard.
Tweede prejudiciële vraag: de uitzondering geldt niet onbeperkt in de tijd
Het Hof voegt een tweede, minstens zo belangrijke nuance toe, namelijk dat de vrijstelling alleen geldt voor de periode waarin kan worden aangetoond dat afnemers hebben ingestemd met de beperking. De bescherming werkt dus vanaf het moment van instemming en zolang die instemming kan worden aangetoond. En dus niet automatisch met terugwerkende kracht of onbeperkt voor de toekomst. De geldigheid van het exclusieve distributiestelsel is dus tijdgebonden en afhankelijk van bewijs.
Wat betekent dit voor uw distributiemodel?
- Exclusieve distributie blijft mogelijk
Het Hof bevestigt dat exclusieve territoria en beperkingen van actieve verkoop toegestaan blijven binnen het kader van de groepsvrijstelling. Maar alleen als zij berusten op een aantoonbare overeenkomst met alle relevante distributeurs. - Informele praktijken worden risicovoller
Het ‘maar zo doen we het altijd al’ binnen een distributienetwerk is onvoldoende. Zonder een bewijs van instemming is er geen overeenkomst, geen beroep op de vrijstelling en dus een verhoogd mededingingsrisico. - Bewijspositie wordt doorslaggevend
De juridische beoordeling verschuift sterk naar de vraag of de leverancier kan aantonen dat andere distributeurs hebben ingestemd. Zonder dat bewijs valt de basis onder de exclusiviteit weg.
Conclusie
Het Beevers Kaas-arrest geeft drie pijlers:
- Een verbod op actieve verkoop vereist een daadwerkelijke overeenkomst (wilsovereenkomst) tussen de leverancier en de betrokken distributeurs.
- Feitelijk gedrag alleen is nooit voldoende bewijs.
- De vrijstelling geldt alleen zolang instemming aantoonbaar is.
Voor bedrijven die werken met exclusieve distributie verschuift de focus daarmee nadrukkelijk naar één element, namelijk de actieve, aantoonbare en blijvende vastlegging van afspraken binnen het gehele distributienetwerk.
Wat kunt u doen in de praktijk?
Op basis van het arrest zijn de volgende punten essentieel voor in de praktijk:
- Leg exclusieve gebieden en verkooprestricties expliciet vast;
- Zorg voor bewijs van instemming van alle relevante distributeurs;
- Vermijd afhankelijkheid van louter feitelijk marktgedrag;
- Documenteer ook impliciete instemming zorgvuldig;
- Evalueer periodiek of instemming nog bestaat en aantoonbaar is; en
- Vraag gerust om juridisch advies bij één van onze advocaten binnen de sectie Handel, Industrie & Logistiek indien u hierover nog verdere vragen heeft.
Meer informatie
Mocht u a.d.h.v. dit artikel nog vragen hebben, neem dan contact op met onze specialisten Handel, Industrie en Logistiek:




