Klanten
staan centraal
40+ jaar
juridisch expert
Nationaal
en internationaal
Neem contact op

Eén miljard euro aan extra kredietruimte voor het MKB

Op dit moment is een nieuw wetsvoorstel in behandeling bij de Tweede Kamer genaamd ‘Wet opheffing verpandingsverboden’. Een wet waarmee volgens de Nederlandse Vereniging van Banken (“NVB”) de kredietruimte voor ondernemers in Nederland met één miljard euro kan worden verruimd.

Geen overbodige luxe in deze tijd voor veel ondernemers. Toch is er nauwelijks aandacht geweest voor het nieuwe wetsvoorstel. Een voorstel met consequenties voor iedereen in Nederland met een bedrijf. Het nieuwe wetsvoorstel ziet op het opheffen van verpandingsverboden, zoals de naam al aangeeft, en het opheffen van verboden om vorderingen over te kunnen dragen (de zogenaamde cessie).

Op dit moment is het namelijk mogelijk dat partijen onderling de afspraak maken dat een vordering van de schuldeiser op de schuldenaar niet kan worden overgedragen aan een andere partij of door de schuldeiser ten gunste van een ander wordt bezwaard met een pandrecht. Vaak wordt hier door de schuldenaar als argument voor gegeven dat hij niet plots wenst te worden geconfronteerd met een vreemde schuldeiser of dat hij niet wil dat er onduidelijkheid bestaat over de vraag aan wie hij moet betalen. Een dergelijk verbod heeft echter ook nadelen voor de schuldeiser, waardoor het verbieden van dergelijke verboden volgens de NVB één miljard euro aan extra kredietruimte voor met name het MKB kan betekenen. Maar waarom is dat eigenlijk?

Om het wetsvoorstel beter te kunnen begrijpen zal ik eerst kort uitleggen waarom het kunnen verpanden of overdragen van een vordering zo belangrijk kan zijn voor ondernemingen en wat de gevolgen van een verbod kunnen zijn als het niet mag. Daarna zullen de belangrijkste punten van het wetsvoorstel zelf aan bod komen.

Wat is een pandrecht en welke gevolgen heeft een verpandingsverbod?

Een pandrecht is een zekerheidsrecht voor schuldeisers, net zoals bijvoorbeeld een hypotheekrecht dat is. Het geeft een schuldeiser extra zekerheid voor de uitstaande vordering, doordat hij zich kan verhalen op de verpande goederen op het moment dat de schuldenaar zijn betalingsverplichtingen niet nakomt. Een pandrecht kan niet alleen worden gevestigd op tastbare zaken, zoals computers of voorraden, maar ook op de vorderingen van de schuldenaar op andere partijen.

Voor financiers zijn pandrechten heel belangrijk. Hoe meer zekerheid zij kunnen krijgen, des te sneller zij geneigd zullen zijn om geld uit te lenen. Als de gewenste zekerheid niet gekregen kan worden met pandrechten, dan zullen zij ervoor kiezen om op een andere manier hun risico te verlagen. Dat kan bijvoorbeeld door een lager bedrag ter beschikking te stellen of een andere vorm van zekerheid te eisen, zoals een persoonlijke borgtocht. Als dat allemaal geen opties zijn, dan blijft een hogere rente voor de schuldenaar over. De bank of financier loopt namelijk meer risico en zal daarvoor een hogere vergoeding in de vorm van rente eisen.

Vanwege de eis van financiers om voldoende zekerheid te krijgen voor de uitstaande schulden, is het voor ondernemers belangrijk om te kunnen beschikken over zoveel mogelijk ‘vrije’ activa. Met vrije activa wordt hier gedoeld op tastbare zaken die in haar bezit zijn en vorderingen op derden die de ondernemer kan verpanden aan haar financiers. Het probleem op dit moment is dat in veel zakelijke overeenkomsten een verpandingsverbod wordt afgesproken, waardoor de vordering niet ‘vrij’ is. Vaak staat een dergelijke bepaling in de kleine lettertjes van de overeenkomst met de schuldenaar, waarbij gedacht moet worden aan de algemene voorwaarden van een opdrachtnemer of de inkoopvoorwaarden van een klant.

Met name grote bedrijven in de bouw of detailhandel hebben dergelijke bedingen in hun algemene voorwaarden staan. Denk hierbij aan de grote landelijke winkelketens met heel veel leveranciers. Zij willen niet de extra administratieve lasten die erbij komen kijken als zij zouden moeten bijhouden aan wie zij eigenlijk moeten betalen als de leverancier de vordering op de winkelketen zou verpanden (of overdragen). Ook willen zij niet het risico lopen dat zij per ongeluk aan de verkeerde partij betalen als er enige onduidelijkheid is. Het gevolg van betaling aan de verkeerde partij kan namelijk zijn dat zij nog een keer moeten betalen, maar dan nu aan de juiste partij.

Omdat er meestal weinig aandacht is voor wat nou eigenlijk in de algemene voorwaarden staat van een klant of opdrachtgever en – zeker bij een grote klant of opdrachtgever – ook niet onderhandeld kan worden over de inhoud van de algemene voorwaarden, worden regelmatig verpandingsverboden afgesproken. Hierdoor kan het voorkomen dat een ondernemer met zijn schuldenaar een verpandingsverbod heeft afgesproken, maar daardoor zelf in de problemen komt met zijn eigen financiers. Zeker als het gaat om een hoge vordering op een belangrijke klant of opdrachtgever kan het gevolgen hebben voor de ondernemer. De vordering op deze belangrijke klant of opdrachtgever kan dan namelijk niet worden verpand aan de financier, met als gevolg dat mogelijk de gevraagde financiering niet wordt verstrekt of alleen tegen een hogere rente.

Waarom is het belangrijk dat vorderingen kunnen worden overgedragen?

Net als tastbare spullen kunnen vorderingen worden verkocht. Het overdragen van een vordering heet een cessie en komt in de praktijk heel veel voor. Als partijen bijvoorbeeld onderling een betalingstermijn van 60 dagen hebben afgesproken, dan kan het zo zijn dat de schuldeiser niet de tijd heeft om 60 dagen te wachten op de betaling. In zo’n situatie kan een factoringmaatschappij uitkomst bieden. De schuldeiser draagt de vordering over aan de factoringmaatschappij en de factoringmaatschappij voldoet dan een afgesproken percentage van de vordering aan de schuldeiser.

De factoringmaatschappij deelt vervolgens de overdracht mee aan de schuldenaar zodat de schuldenaar weet dat die moet betalen aan de factoringmaatschappij. Die factoringmaatschappij heeft dan het debiteurenrisico overgenomen en zal als het goed is na 60 dagen betaling ontvangen. De oorspronkelijke schuldeiser heeft het geld dan al gekregen van de factoringmaatschappij en kan hiermee verder ondernemen. Op het moment dat partijen een overdrachtsverbod afspreken bestaat de hiervoor geschetste mogelijkheid niet.

Het wetsvoorstel

In het wetsvoorstel is het uitgangspunt dat het verbieden van het verpanden of overdragen van een vordering niet kan als het gaat om een geldvordering op naam die voortkomt uit de uitoefening van een beroep of bedrijf. Hierbij gaat het in principe om alle vorderingen van bedrijven op zowel andere bedrijven als particulieren. Denk bijvoorbeeld aan de vordering van de onderaannemer op de aannemer, de vordering van een groothandel op een winkel of de vordering van een schilder op een particuliere klant. Op het moment dat de wet ingaat, mogen partijen dus geen verpandings- of overdrachtsverbod afspreken. Doen zij dat toch, dan is de afspraak nietig. Nietigheid betekent dat het verbod eenvoudigweg niet bestaat ondanks het feit dat het wel is afgesproken tussen partijen. De schuldeiser kan dan toch de vordering overdragen of verpanden. De schuldenaar kan dan geen succesvol beroep doen op het overeengekomen verbod.

In het wetsvoorstel staat nu voor bestaande overeenkomsten een overgangsperiode van drie maanden. Als er dus een verpandings- of overdrachtsverbod is afgesproken in een overeenkomst, dan hebben partijen na inwerkingtreding van de wet drie maanden de tijd om alternatieve afspraken te maken. Na deze periode is het verbod in bestaande overeenkomsten nietig.
Om enigszins tegemoet te komen aan partijen die stellen dat zij een verpandings- of overdrachtsverbod hebben afgesproken met als doel om te voorkomen dat er enige onduidelijkheid kan ontstaan over de vraag aan wie zij moeten betalen – denk aan de landelijke winkelketen met veel leveranciers – heeft de wetgever bedacht dat de mededeling van verpanding of overdracht van een vordering voortaan altijd schriftelijk moet. Het zal voor extra administratieve lasten zorgen, maar het voorkomt in ieder geval dat er enige onduidelijkheid kan zijn ten aanzien van de vraag aan wie eigenlijk een bepaalde vordering moet worden voldaan.

Uitzonderingen

Uitzonderingen op de wet zien met name op het betalings- en effectenverkeer. Zo geldt de wet niet voor vorderingen uit hoofde van betaal- of spaarrekeningen. Een positief saldo op een betaalrekening is namelijk niets anders dan een vordering van een ondernemer op een bank. In principe valt een dergelijke vordering daarmee onder de wet, maar om te voorkomen dat banken enige onduidelijkheid hebben over wie zij toegang moet geven tot een bepaalde rekening is er in het belang van een goed functionerend betalingsverkeer voor gekozen om hiervoor een uitzondering te maken. Banken mogen dus nog steeds een verpandingsverbod of overdrachtsverbod afspreken met hun zakelijke klanten en zullen dat naar verwachting ook doen.

Conclusie

De NVB schat het mogelijke voordeel voor het Nederlandse MKB op circa één miljard euro. Een bedrag dat in de vorm van extra kredietruimte beschikbaar zou komen doordat ondernemers in het MKB meer zekerheid kunnen verschaffen aan financier door vorderingen te verpanden of over te dragen. Of de inschatting klopt is maar de vraag. Ten aanzien van de opheffing van het overdrachtsverbod zie ik de voordelen voor het MKB. Zo kunnen leveranciers in de detailhandel gebruik gaan maken van factoringmaatschappijen en kunnen onderaannemers een vordering op een hoofdaannemer verkopen als zij snel geld nodig hebben. Anders is het echter met het verbieden van een verpandingsverbod.

Op dit moment is er namelijk met name aandacht voor de positieve gevolgen voor ondernemers. Zij zouden namelijk makkelijker en/of goedkoper krediet kunnen krijgen. De vraag is echter of een afgesproken verpandingsverbod op dit moment daadwerkelijk een belemmering is (en dus is de vraag of de opheffing van het verpandingsverbod iets verandert in de financieringsbereidheid van de financiers). In de praktijk kijken financiers namelijk met name naar de financiële administratie van een onderneming bij het verstrekken van een lening en niet naar elke onderliggende overeenkomst. Dat kan praktisch gezien ook niet.

Het mogelijke nadeel van de aanwezigheid (nu nog) van een verpandingsverbod in de onderliggende overeenkomsten – en dus de mogelijkheid dat er minder zekerheid werd verschaft dan de financiers dachten te verkrijgen – nemen ze op koop toe. Als het wetsvoorstel wordt aangenomen, hoeven financiers in ieder geval niet meer of in elk geval minder te vrezen voor eventuele verpandingsverboden in de onderliggende overeenkomsten. De kans is dan groter dat alle vorderingen die aan haar zijn verpand ook daadwerkelijk konden worden verpand. Het versterkt daarmee de positie van financiers, terwijl het maar de vraag is of daardoor ondernemers meer krediet kunnen krijgen zoals de NVB stelt.

Inwerkingtreding

Op dit moment is het wetsvoorstel nog in behandeling bij de Tweede Kamer. Het is nog niet bekend wanneer de Tweede Kamer over het voorstel zal stemmen en of er nog aanpassingen zullen komen. Wordt aldus vervolgd!

Meer informatie

Mocht u naar aanleiding van dit artikel vragen hebben over het specifieke wetsvoorstel, neem dan contact met mij op.

Artikelen en klantverhalen binnen dit specialisme